De geschiedenis van 't Grieze Huus      
Het Grieze Huus is ruim tweehonderd jaar oud. In de 19e eeuw deed het dienst als pastorie voor de doopsgezinden in Pieterzijl. Het kerkgebouw - door doopsgezinden een vermaning genoemd - stond ooit links van het huis. Het kerkgebouw is aan het eind van de 19e eeuw afgebroken en opnieuw opgebouwd in Grijpskerk. Het bestaat nog steeds en doet nu dienst als aula voor uitvaartdiensten. Kort na de afbraak van de kerk is de schoolmeesterswoning gebouwd die nu direct naast het Grieze Huus staat. In de 19e eeuw stond tussen het kerkgebouw en de pastorie waarschijnlijk een kleine kosterswoning, die verder terug stond van de weg. Vanuit de pastorie was er dus zicht op het kerkgebouw. pastorie in 2014  
Het huis in 2014  
   
begin20eeeuw

Op deze foto uit de eerste helft van de 20e eeuw is het huis slechts ten dele te zien want de bomen ervoor staan in volle blad. Voor het huis staan vier oude leilinden. Je ziet dat de takken zelfs opzij zijn gegroeid. De lindebomen zijn waarschijnlijk al ruim 150 jaar oud. Het raam in het achterhuis is een dubbelraam met bovenramen. De schoorstenen hebben schoorsteenkappen. Beide elementen zijn weer hersteld.

Fries Fotoarchief (Tresoar)

 
   
De doopsgezinde gemeente was in het begin van de 19e eeuw gegroeid en wilde een nieuw kerkgebouw en een pastorie. Bij intekening werd op 29 april 1814 door 27 leden een bedrag van 15.350 gulden opgebracht ten behoeve van een fonds. Dit fonds werd opgericht tot instandhouding van de gemeente. Uit dit fonds werd de bouw van de kerk en de pastorie betaald. Een jaar later begon de bouw.¹ Volgens het kadastrale minuutplan van 1821 van Grijpskerk, sectie H, blijkt dat de pastorie op een apart perceel staat los van de tuin die een ander perceelnummer blijkt te hebben. De pastorie heeft nr. 89 en de tuin nr. 88. De vermaning heeft nr. 86. Het tussenliggende perceel nr. 87 met huis is van landbouwer Harm Jacobs Buining.² Alhoewel landbouwer Harm Jacobs Buining niet op de lijst van 27 leden voorkomt die geld hebben opgebracht voor het fonds is het aannemelijk dat hij de kosten van de kosterswoning voor zijn rekening nam. Hij blijkt een welgestelde doopsgezinde landbouwer te zijn die net buiten het dorp woonde nabij het Zijldiep. Hij liet zich dopen in de vermaning op 25 oktober 1829. Hij was toen 44 jaar. Hij blijkt ook diaken te zijn geweest.  
   
hisgis  
Detail van kadasterkaart 1832 (hisgis.nl)    
   

In het begin van de 19e eeuw waren Klaas Hellinga en zijn vrouw Engeltje Jans de eigenaren van de grond waarop het huis staat. Men noemde dat de behuisde heemstede. Klaas was tot 1808 officier van de Burgerlijke Stand, na 1808 Schout Officier en in 1825 burgemeester van de gemeente Grijpskerk. Zijn dochter Tettje Hellinga erfde de behuisde heemstede in 1828 na het overlijden van haar vader.³ Tettje was gehuwd met Kornelis Jacobs Bolt, landbouwer te Hoogemeeden.  Na hun overlijden erfde hun zoon Johannes Bolt als minderjarige de behuisde heemstede in 1837.⁴ Hij verkocht de behuisde heemstede, die bij de doopsgezinde gemeente te Pieterzijl in gebruik was, op 22 januari 1856. Riender Jacobs Zetsma, landbouwer te Pieterzijl, kocht de behuisde heemstede in hoedanigheid als kerkvoogd van de doopsgezinde gemeente voor 52 gulden. Daarmee werd feitelijk de jaarlijkse grondpacht van 1 gulden en 94 cent afgekocht.⁵

 
   
Omdat er sprake is van een behuisde heemstede is het niet zeker of het huis al bestond of dat het nieuw gebouwd is uit de opbrengst van het eerder genoemde fonds. Het is ook mogelijk dat er al een huis stond die verbouwd is.  
   
De eerste predikant - door doopsgezinden een leraar of een vermaner genoemd - die zijn intrek in de pastorie nam was Jan Freerks Boersema. Hij was in 1815 proponent, dat wil zeggen dat hij een afgestudeerde theoloog was die door de doopsgezinde gemeente beroepen kon worden tot predikant. Hij deed zijn intrededienst op 14 mei 1815. Hij trouwde in 1820 met de weduwe Fokeltje Klaassens de Waard. Fokeltje was een dochter van Klaas Jans de Waard, een rijke boer en de grootste geldschieter binnen de doopsgezinde gemeente. Haar vader was tevens de eerste doopsgezinde burgemeester van Grijpskerk. In die tijd heette dat een schout of maire. Het huwelijksgeluk van Jan was echter van korte duur. In 1821 kregen ze een zoontje maar die overleed enkele dagen na de geboorte en slechts enkele maanden daarna stierf ook Fokeltje. Jan Freerks Boersema is daarna nog vijf jaar gebleven. Hij vertrok in het voorjaar van 1826 naar Midwolda, waar hij als vermaner door de doopsgezinde gemeente werd beroepen. Daar trouwde hij in 1833 opnieuw, kreeg er drie kinderen en is er tot aan zijn emeritaat in 1866 vermaner geweest.  
   
De opvolger van Jan Freerks Boersema was de jonge vermaner Herman Isaäc ten Cate. Hij kwam van Ouddorp in Zuid-Holland naar Pieterzijl. Herman is dertig jaar, tot aan zijn dood in 1858, predikant geweest in Pieterzijl. Met zijn eerste vrouw Johanna de Jong kreeg hij drie zonen: Gerrit, Steven en Arnold. Een jaar na de geboorte van hun jongste zoon overleed Johanna. Herman bleef achter met twee jonge kinderen. Hun oudste zoontje Gerrit was eerder ook al overleden. In 1836 trouwde hij met Wietske Tammes Reinders die uit Sappemeer kwam. Ze kregen geen kinderen. Maar in 1848 is het vijfjarige nichtje van Wietske, Christina Zuidema, in het gezin opgenomen nadat haar moeder was overleden. Na het overlijden van Herman in 1858 ging Wietske samen met Christina terug naar Sappemeer.  
   
 

Herman had een jongere broer, Steven Blaupot ten Cate, die ook predikant was en tevens een tijd lang liberaal politicus. Hij is kort lid van de Provinciale Staten van Groningen geweest en daarna enkele keren verkozen in de Tweede kamer der Staten-Generaal waarbij hij zich met name bezighield met onderwijs en armenzorg. Hij heeft verschillende boeken geschreven o.a. over de geschiedenis van de doopsgezinden.

Portret van Steven Blaupot ten Cate door Johan Hendrik Hoffmeister, ca.1851-1883, lithografie op chine collé (collectie Rijksmuseum)

  Steven  
   
Na Herman ten Cate, die de langstzittende predikant blijkt te zijn geweest, kwam Jacob Scheltinga Oosterbaan naar Pieterzijl. Hij kwam als proponent in het vroege voorjaar van 1860, enkele dagen nadat hij in Harlingen in het huwelijk was getreden met Doetje Pettinga. In de tussenliggende jaren dat de positie van vermaner vacant was, preekte emeritus-predikant Wieling, die in Grijpskerk woonde, in de vermaning te Pieterzijl. Jacob en Doetje kregen in zeven jaar zes kinderen te Pieterzijl. Jacob en zijn gezin vertrokken eind 1866 naar Midwolda in het Oldambt. Daar volgde hij de eerdergenoemde Jan Freeks Boersema op, die kort daarna overleed.  
   
Een half jaar na het vertrek van Jacob Scheltinga Oosterbaan trad Johannes Stephanus Simeon Ballot aan als vermaner in Pieterzijl. Hij kwam samen met zijn vrouw Coenradina Dorothea Sijbrandij en hun zoontje Frederik Willem vanuit Hindelopen in de pastorie wonen. Het zoontje overleed op jonge leeftijd in 1872. Het jaar erop kregen ze een dochter maar ook zij overleed al binnen een jaar. In 1879 sloeg het noodlot weer toe. Johannes Ballot stierf op 39-jarige leeftijd.  
   
Het ambt van predikant bleef na het overlijden van Ballot enkele jaren vacant. In het voorjaar van 1882 kwam proponent Pieter Botke naar Pieterzijl. Vlak voor zijn komst trad hij in het huwelijk met Goswina Frederika Fransina Anna Kuiper. Hun eerste kind Sijtsche kregen ze in Pieterzijl. Maar hun tijd in Pieterzijl was van korte duur. In september 1883 hield Botke alweer zijn afscheidsdienst. Botke zou uiteindelijk de laatste predikant blijken te zijn in Pieterzijl. In de archieven wordt vaak aangegeven dat de vacante positie van de doopsgezinde predikant moeilijk in te vullen was omdat het dorp slecht bereikbaar was.   vermaning
De vermaning in Grijpskerk, 2020
 
   
Men besloot om de kerk af te breken en in Grijpskerk weer op te bouwen. Toch denk ik dat een ander voorval wellicht ook een belangrijke rol heeft gespeeld in het vertrek van Botke. In juni van 1883 enkele maanden voor het vertrek van Botke is zijn dienstmeid, de 19-jarige Anna Elisabeth Oosterhuis, op 13 juni 1884 ’s avonds om 20.00 uur, verdronken in het diep. Ze was water aan het halen uit de vaart.⁶  
   
Na Botke bleef de positie van vermaner tot 1889 vacant. Het blijkt voor de gemeente zeer moeilijk om een opvolger te vinden. De heer C.A. Leendertz uit Kleef (Pruisen) is eind 1888 beroepen te Pieterzijl.⁷ Maar hij heeft kort erop er alweer voor bedankt.⁸ Sijbrand Feico van der Ploeg zou uiteindelijk Botke opvolgen. Hij kwam van Noordhorn en hield zijn intrededienst op 23 juni 1889. Hij bedong echter bij zijn aanstelling dat hij in Groningen mocht blijven wonen totdat de nieuwe pastorie in Grijpskerk klaar was. Hij had echter al voor de verkoop van de pastorie in 1891 een nieuwe aanstelling verworven in Leer (Oost-Friesland).  
   

Op 21 januari 1889 is de pastorie verhuurd aan de familie Kingma onder voorwaarde dat één van de voorkamers beschikbaar moest blijven voor ontvangst van een predikant, zolang er geen nieuwe pastorie is.⁹ Kornelis Jans Kingma woonde in 1887 al in Pieterzijl. Op 16 december 1891 verkochten de kerkvoogden, Harm Harms Buining en Sytze Klaasens de Waard, de pastorie bij openbare veiling aan Kingma, en verloor het huis de functie van pastorie.¹⁰ In de periode 1891-1901 was Kornelis wethouder van de gemeente Grijpskerk.

In 1906 kochten Pieter Hazenberg en zijn vrouw Antje Kuperus het huis van Gerrit Kingma, de oudste  zoon van Cornelis Kingma en Klaaske Jans Sikkema.¹¹ Hij had het huis verkregen middels een akte van scheiding na de dood van zijn vader. Antje overleed in 1908.
In 1909 werd er een akte van scheiding opgesteld om de erfenis goed te regelen. Hierin werd het aandeel van zoon Meint Pieter vastgelegd. De akte geeft een uitgebreide beschrijving van de inboedel van het huis.¹²

advertentie NvhN  
Advertentie NvhN, 11-12-1891  
   
Pieter Hazenberg was een slager en kastelein. In de tuin achter het huis stond een oude schuur die inmiddels is afgebroken. In die schuur is veel vee geslacht want na de afbraak zijn veel botresten in de grond gevonden. En wellicht heeft hij in één van de woonvertrekken een café gerund. Goed mogelijk dat daarvoor de Pronkkamer dienst heeft gedaan.  
   
In 1919 verkocht Pieter Hazenberg het huis aan Eeuwe Hooghiem. Hij was getrouwd met Antje Homan. Zij woonden destijds in Visvliet. Ze hadden geen kinderen. Blijkens de koopakte was een deel van het huis verhuurd aan Anne Hoeksma. Deze huur moest nog een jaar in stand worden gehouden door de koper.¹³ Waarschijnlijk woonde Anne in de rechterhelft. Eeuwe Hooghiem was timmerman. Hij heeft in het huis veel timmerwerk verricht. Bij de huidige renovatie is zijn naam op verschillende plekken in het huis opgedoken. Timmerlui schreven vaak hun naam en een datum op het timmerwerk en dat verdween dan achter het behang. Bij een latere renovatie komt die dan weer tevoorschijn. Zo weten we nu dat hij de vroeg 19e eeuwse beschilderde houten achterwand in de Pronkkamer grotendeels heeft afgebroken en van het hout, een meter verder de woonkamer in, een nieuwe wand heeft getimmerd.  
   
De voorlaatste bewoners waren broer en zus Postma. Zij woonden er sinds 1969. Het huis was gesplitst in twee delen. Het had twee huisnummers namelijk 19 en 21. Opmerkelijk was dat er wel twee keukens in het achterhuis waren gemaakt en ook twee achteringangen, maar het huis had slechts één wc. Een douche was niet aanwezig.  
   

Voetnoten:
¹ Regionaal Historisch Centrum Groninger Archieven (GrA), toegangsnr. 360, inleiding en inv.nr. 15
² GrA, Kadastrale kaart 1811-1832; OAT Grijpskerk, sectie H, blad 003
³ GrA, 99, 74 (aktenr. 69)
⁴ GrA, 99, 103 (aktenr. 59)
⁵ GrA, 101, 44 (aktenr. 10)
⁶ Leeuwarder Courant, 18-06-1884
⁷ Nieuwsblad van het Noorden, 05-12-1888
⁸ Nieuwsblad van het Noorden, 15-12-1888
⁹ GrA, 360, 64
¹⁰ GrA, 101, 84 (aktenr. 16)
¹¹ GrA, 1877, 118 (aktenr. 222)
¹² GrA, 101, 118 (aktenr. 16)
¹³ GrA, 101, 138 (aktenr. ?)

 
 

home