Geschiedenis van Abbinge Warff  

Bijzonderheden

De naam

Het tweede deel in de naam, het woord 'Warff', duidt op een recht namelijk het redgerrecht. In de middeleeuwen werd er in de Groninger Ommelanden rechtgesproken middels een ingewikkeld systeem dat wordt aangeduid als de Klauwen Ommegang. Met de Klauw wordt degene aangeduid die met het redgerrecht gerechtigd is. De betekenis van Ommegang kan kortweg omschreven worden als een gebied waarbinnen de bestuursfuncties rondgingen op de zogeheten warfen. Deze warfen zijn verhoogde plaatsen die wij beter kennen als terpen, waarop dit recht rust. Iedere eigenaar van een warf kwam op bepaalde tijd in aanmerking om recht te spreken. In het geval van 'Abbinge Warff' was dit ongeveer één keer in de 17 jaar. In de rekeningen van het Heilige Geest Gasthuis die het redgerrecht van Abbinge Warff bezat wordt telkens als zij daarvoor in aanmerking komen vermeldt wie de bediening van het recht slijt. Hier volgt een overzicht van redgers die voor Abbinge Warff rechtspraken.

1640 de heer Mackdowel
1691 de heer Ringhels van de Admiraliteit
1708 de heren Ringels en Alstorphius
1725 de heer Tjaart Haykes
1742/43 de heer Guichart
1759/60 de heer Arnoldy
1776 de heer Guichart

 

Door de komst van de Fransen in 1795 komt er een eind aan deze eeuwen oude traditie. Die overigens al sterk uitgehold was aangezien vele jonkers in de Ommelanden waaronder de Lewes veel van de rechten wisten aan te kopen waardoor zij hun invloed in het gebied wisten uit te breiden. Een ernstige uitwas kennen we uit de geschiedenis als het schijnproces van Faan door Rudolf de Mepsche.

Over de afwikkeling van de heerlijkheden is het volgende bekend:

“Op dit land liggen Gerechtigheden en heerlijkheden. Zoo viel eertijds op hetzelve alle 17 jaren naar der klaauwen ommegang de bediening van den Richterstoel zijnde laatst gesleten in het jaar 1777. Die Redgerregten later opgeheven zijnde werd bij Koninglijk besluit van den 7 februarij 1825, nr. 115, eene jaarlijksche schadeloosstelling voor het gemis daarvan uit de Ommelanderkas toegezegd. Het Gasthuis ontving dan ook tot 1850 een jaarlijksche vergoeding van f 3-49. Toen die schadeloosstelling in 1850 en 1851 niet werd betaald vervoegde men zich in 1852 daarvoor bij verzoekschrift tot den Koning doch ontving als antwoord eene missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van den 30 augustus 1852 nr. 218 houdende kennisgeving dat die schadeloosstelling voor het vervolg niet meer wordt betaald. Aan dezen eigendom is verbonden een aandeel in de privative Jagt van Hoogkerk welk regt vroeger jaarlijks wordt verhuurd voor f 20-00 aan Mr. M. Clant Bindervoet. (bron: Groninger Archieven (GA), Heilige Geest Gasthuis (HGG), Staatboek 1855, blz. 119-126) Eerder werd het jachtrecht, wat wordt aangeduid als “een vierde aandeel Jagt”, verhuurt aan weduwe P. Doornbosch en consorten. (bron: GA, HGG, Inv. nr. 15. (Staatboek 1830, blz. 27))
Volgens het staatboek 1855 van het Heilige Geest Gasthuis te Groningen hebben de voogden van het gasthuis de landen aangekocht op 10 oktober 1685. Maar de aankomstbrief zo staat erbij vermeld is niet te vinden. Hoe men aan een dergelijke datum komt is mij niet duidelijk geworden. Volgens het Clauwboek van Johan Tjassens had het Gasthuis in 1640 het mandaat van de slijtinge dese redgerrechts en reeds daarvoor.”

terug naar homepage